Onlangs volgde Trix Broekmans een Basiscursus Reanimatie op onze locatie in Houten.
Ze schreef een artikel over hoe ze de reanimatiecursus op onze locatie in Houten heeft beleefd.
REANIMATIECURSUS MET JEROEN EN NICO
‘WAT HEBBEN WE NIET? TIJD!’
‘Zaterdagmorgen half 10, Houten-Noord. Allemachtig! Alle parkeerplaatsen rond de Kruisboogstraat zijn zo’n beetje vol, ongetwijfeld met de sporters die hier actief zijn op de aanpalende voetbalvelden, binnen in de Basic Fit en in de sporthal. Zie dan maar eens je auto kwijt te raken. En zo meteen begint de reanimatiecursus waaraan wij gaan deelnemen. Help! Toch maar even Jeroen Balk bellen, de cursusleider. Hij stelt ons gerust. Bijna recht voor de deur is nog een plekje, meldt hij. Probleem opgelost. Later zal hij zeggen: ‘Wij denken hier niet in problemen, maar in oplossingen. En als er een oplossing is, is er geen probleem.’
Even later zitten wij, zeven vrouwen en vijf mannen, in een zaaltje bij Jeroen Balk en Nico Donderwinkel, onze instructeurs die ons gaan leren hoe we levens kunnen redden. Jeroen licht dat toe: na een noodoproep over een hartstilstand is de ambulance gemiddeld na tien minuten ter plaatse. Dan zijn de cruciale minuten al voorbij, zes minuten om precies te zijn, maar als binnen die tijd zogeheten burgerhulpverleners ter plekke zijn om hartmassage en mond-op-mond beademing toe te passen, en een AED kunnen aansluiten heeft het slachtoffer goede kans om te overleven. Zonder schade aan de hersenen. Elke minuut daarna neemt de kans op overleven af met tien procent per minuut.
Dus die burgerhulpverleners vervullen een wezenlijke rol. Daar gaan wij misschien ook bij horen. Wij zullen weten hoe we de borstkas van het slachtoffer moeten bewerken en mond-op-mond beademing moeten toepassen. En hoe we met een AED moeten omgaan ofwel de Automatische Externe Defibrillator: een draagbaar medisch apparaat dat het hartritme herstelt bij een hartstilstand door het toedienen van een elektrische schok. Het geeft gesproken instructies en is ontworpen voor gebruik door iedereen, ook niet-medisch personeel. Dankzij Els Borst, de voormalige Nederlandse minister van Volksgezondheid, mogen sinds 2002 ook niet-medici met AED’s werken. Voor die tijd mochten alleen medisch geschoolden dat. Borst wijzigde daartoe de Wet BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Dankzij haar werd de verspreiding en inzetbaarheid van de AED enorm bevorderd.
Maar er kunnen er nog altijd meer bij, betoogt Jeroen. Hij is een hartstochtelijk pleitbezorger voor die AED, maar ook voor het vergroten van het aantal mensen dat ermee om kan gaan en die ook weten hoe je handmatig moet reanimeren – en dat ook dóen als het nodig is. Hij herinnert ons aan het vreselijke lot dat de piepjonge Ajax-voetballer Appie Nouri overkwam. Midden in een wedstrijd viel hij neer. Hartstilstand. Niemand deed iets, ook de aanwezige artsen niet. Pas ver na de cruciale minuten kwamen ze in actie. Nouri ligt nu thuis een plant te wezen, hersendood. Nadien zijn nog diverse voetballers getroffen door een hartstilstand, maar zij hebben het allemaal overleefd, dankzij onmiddellijke reanimatie. Het drama Nouri was een keiharde leerschool van hoe het niet moet.
‘Jullie gaan het anders doen’, zegt Jeroen. ‘Jullie gaan het verschil maken.’
Jeroen is een gedreven spreker. In het dagelijkse leven is hij nationaal vrachtwagenchauffeur, die uit zorg voor zijn medemens eerst zelf burgerhulpverlener werd en sinds 2019 cursusleider. Elk jaar geeft hij zo’n 45 reanimatiecursussen, die tot een aanwas hebben geleid van 500 burgerhulpverleners. Zijn enthousiasme voor deze activiteit die hem heel wat vrije uren kost is die ene man wiens leven hij redde na reanimatie. ‘En als die man dan later bij je thuis aan de koffie zit, ja, dan gaat er wel wat door je heen.’
Sinds twee jaar wordt hij gesecondeerd door Nico, een gelouterde ex-ambulancier die na veertig dienstjaren zijn steentje wil blijven bijdragen aan de samenleving. Hij is het tegenovergestelde van Jeroen, de beweeglijke spraakwaterval. Nico is een man van weinig woorden en straalt een vanzelfsprekende rust uit. Ik kan me helemaal voorstellen dat hij op de ambulance een rots in de branding was, door niets of niemand gek te krijgen.
Jeroen neemt punt voor punt de handelingen door die je bij een reanimatie moet verrichten. Bij de eerste aanblik van het slachtoffer gaat het om Kijken, Luisteren en Voelen. Je kijkt naar de borstkast van het slachtoffer, luistert van heel dichtbij en voelt daarbij met de wang of die ademt. Je vraagt: ‘Gaat het?’ ‘Niet meer en niet minder’, zegt Jeroen. Als er geen reactie komt of als iemand op een vreemde maner ademt, ga je reanimeren. Jeroen: ‘Maar als je partner vanavond naast je snurkt, niet doen.’ Haha!
Filmpje waarin wordt getoond hoe het moet: knielen bij het slachtoffer, armen loodrecht boven de borst. Met de handen in elkaar gestrengeld vervolgens dertig keer de borstkas indrukken, zo’n 6 centimeter. Daarna til je met twee vingers de kin van het slachtoffer omhoog zodat het hoofd goed naar achteren kantelt en geeft dan tweemaal een korte ademstoot in de mond.
Dat laatste vinden de meesten van ons toch, eh, niet zo’n fris idee. Wat als de persoon begint te braken, of hevig uit de mond bloedt? Jeroen: ‘Je eigen veiligheid staat voorop en als jij het geen goed idee vindt, niet doen. Overigens is tijdens de hele Corona-pandemie niemand besmet geraakt tijdens reanimaties. Niemand.’
En, houdt hij ons voor, er zijn er ook volop andere manieren om hulp te bieden. De deur openzetten voor de ambulance is ook hulp verlenen. De familie opvangen, zorgen dat geen obstakels in de weg liggen of staan. Je kunt heel veel rondom het slachtoffer doen.
Jeroen houdt nu een soort toilettasje omhoog. Bij elke AED zit zo’n tasje.
‘Wat zit hierin, denken jullie?’
‘Een tandenborstel’, zegt iemand. Leuk.
Jeroen ritst het open en haalt er een handdoekje uit: ‘Dat is om het zweet weg te vegen, want een slachtoffer van een hartstilstand wil nogal eens transpireren.’
Tweede voorwerp: een schaar. Om kleding los te knippen wanneer de AED wordt aangesloten, en dat moet op de blote borst.
Drie: een scheermesje. Een scheermesje? ‘Niet voor een paar haartjes’, zegt Jeroen. ‘Wel voor de Bokito’s. Als er teveel haar op de borst zit, willen de plakkers niet plakken en wordt de stroomstoot niet goed geleid.’
Op het witte doek krijgen we ook te zien wat we moeten doen in het geval van verslikking/verstikking. Eerst heeft Jeroen nog een voorbeeldje van hoe het niet moet: ‘Een gezelschap zit in een restaurant en iemand verslikt zich of krijgt voedsel in zijn luchtpijp. Wat doet die persoon?’
We weten het niet.
Jeroen: ‘Die wil weg. Naar het toilet. Want daar wil hij uithoesten. En hij vindt dat hoesten gênant waar iedereen bij is. Later, als hij gevonden wordt, zeggen de anderen: hij bleef wel wat lang weg.’ Hij zet een stentorstem op: ‘Laat het slachtoffer Nooit Alleen!’
Op het filmpje zien we wat we dan moeten doen: eerst stevige klappen op de rug, als dat niet helpt, flinke stompen, daarna nog hardere stompen en als ook dat niet helpt vat je de ander van achter in een houdgreep met je handen om zijn/haar maag en trekt die steeds weer samen. Op het filmpje spuugt de man in kwestie het vermaledijde stukje uit. Leven gered.
We popelen nu om zelf aan de slag te gaan, maar eerst behandelt Jeroen nog het onderwerp Niet Reanimeren. Er zijn immers mensen die na een hartstilstand niet gereanimeerd willen worden. Daartoe dragen zij een penning met die tekst bij zich en er zijn ook mensen die de tekst op hun borst hebben laten tatoeëren. Je hoopt dat men die penning om de nek draagt zodat je die meteen aantreft, maar er zijn er ook die ‘m in hun broekzak hebben, zo horen we. En omdat je als hulpverlener niet eerst gaat zoeken, indachtig de leus van Jeroen: ‘Wat hebben wij niet? Tijd!’ en meteen gaat reanimeren, kan dat onbedoeld tegen de wens van het slachtoffer zijn. Dat kan gebeuren. Tja.
Tot zover de theorie, nu de praktijk. We worden in twee groepen verdeeld. De ene helft krijgt Jeroen als docent, wij krijgen Nico. Hij laat zien op de ene pop hoe je je handen moet houden, wijst op de lichtjes die in de kunststof borst oplichten: geel als je te langzaam pompt, rood als je te snel gaat. Volgorde van handelingen: eerst meteen 112 bellen en de hartstilstand melden en de telefoon op speaker zetten zodat je niet alleen instructies kunt horen maar ook allebei je handen vrij hebt.
Nico begint de borstcompressie. Een twee drie vier, hardop tellend. Tot dertig, dan de kin van het slachtoffer naar achteren tillen met twee vingers en dan tweemaal een korte ademstoot geven. We krijgen een dun maskertje dat we over de kunststof mond kunnen leggen, maar in het echt moet het ‘bloot’. Mag je ook een zakdoek gebruiken, vraagt iemand. Nico: ‘Dat kan, maar is niet ideaal, want je sluit de mond daarmee niet goed af. Je moet je lippen helemaal over die van het slachtoffer leggen. Alsof je in een appel bijt’, suggereert Nico.
Het ziet er allemaal behoorlijk inspannend uit. Nico: ‘In de praktijk hou je het lang vol. En als er meer mensen zijn kun je elkaar afwisselen.’
En dan komt de AED in het spel. Nico: ‘Je moet onmiddellijk stoppen met reanimeren als de AED erbij komt.’ Hij doet voor hoe je het apparaat opent, de twee stickers met elektroden eruit haalt en die op de juist plek op het lichaam aanbrengt. Rechts op de borst net onder het sleutelbeen, links onder de oksel. Daarna vertelt een stem in het apparaat wat je moet doen. De rode startknop indrukken en dan hoor je: ‘Raak de patiënt niet aan!’ Dan wordt de schok toegediend. Wij kennen dat allemaal van de televisie en van de film: de dokter roept ‘Clear!’ en dan plaatst hij twee peddels op de borst van de patiënt. Diens lichaam komt met een enorme schok omhoog. Vol verwachting kijken wij naar de pop: hoe hoog zal die gaan? Er gebeurt niets, althans niets zichtbaars. Nico, met een grijns: ‘Wat je op de film of tv ziet is flauwekul, hartchirurgen lachen zich rot om die flauwekul. Want bij het toedienen van een schok treed een spiersamentrekking op en die is niet zichtbaar voor ons..’ Dat weten we dan ook weer.
Dan mogen we zelf. En het valt verdraaid niet mee. Dertig keer op die borst inbeuken is behoorlijk inspannend. We moeten allemaal twee minuten en dan blijken twee minuten ineens best lang. Ik bak van de eerste keer niks. Ik ga te snel, raak de tel kwijt – want het apparaat telt ook hardop en als die ‘twintig’ zegt ben ik pas op achttien. ‘Niet naar luisteren’, zegt Nico, ‘Gewoon je eigen tellen bijhouden.’ Maar ik druk ook niet hard genoeg, vertelt het gele lichtje en ik sluit mijn mond niet netjes over die van het slachtoffer. Nico volgt alles aandachtig en is heel secuur in het corrigeren, op de inmiddels welbekende geruststellende kalme manier. De tweede keer gaat het een stuk beter. Ook het kijken naar hoe de anderen het doen is leerzaam.
Dan is de praktijkles voorbij. We hebben tijd om uit te blazen en te luisteren naar Jeroens slotwoord. Het is een soort peptalk. ‘Vraag je nooit af of je het wel goed hebt gedaan’, zegt hij. ‘Je hebt het altijd goed gedaan. Dus stel jezelf nooit die vraag. Jij bent degene die straks in staat is iemand te helpen, terwijl al die mensen om je heen druk zijn met het opnemen met hun telefoontjes om het daarna zo snel mogelijk op Facebook te knallen.’
Dat laat hij even bezinken. Dan, met een big smile: ‘Drie uur geleden wisten jullie van niks, nu hebben jullie een certificaat. Jullie zijn allemaal geslaagd.’ Yes! We klappen, voor onze medecursisten en voor onszelf.
En nu maar kijken of we het straks ook in het echt kunnen waarmaken.







